SECTIES > |
ARCHIEF >Thursday, October 18. 2007een man straat des ochtends een zon mist
- door Wouter Claeys
we hebben een stad. we hebben veel meer. de schromelijk overdreven tijd situeert zich met aandacht voor details tussen appetijt en destructiviteit, het is herfst en nevel nog van dagen regen kleurt de ruimte tussen gevels. warm is het zoals met een hand zo’n elfendertig centimeter van een klein kaarsje verwijderd te zijn. dit alles is een verhaal over knippen en plakken met de ogenblikken van met wimpers het stof van straten borstelend. dit alles is een blijspel bedragend de hoop en de onrust, verbonden door een oorsprong gesprongen te zijn in het oog van een eerste ochtend de mogelijkheid te bezitten te bezichtigen. in een kamer zit ik een raam brekend als bekijkend een bewerkelijkheid.
een figuur gaat als uitgeknipt een straat tegemoet met de naam brugophetwaterweg, rond zijn alle wolken als gelaten gelaatsuitdrukkingen in het blauwe gezicht van draaien. om de figuur heen huizen zich anderen zoals het anderen betaamt en heerst het geluid van trachtende woorden rondom de leegte gegoten. gesprekken handelen over van kop tot teen verloren liefdes, misschien. wagens weeral berijden de rondpunten van hun wachten, achter hun glazen de weeral werelden, de hoofden, de vormen. “voldaan van leegte en angst voor na leegte huist zich de stad in ons als platteland van boertjes verstenend tot monumentale bouwplaats van en voor een doodsdrift verzachtend het voedsel. tromgeroffel. er wordt teveel gegoocheld met betekenis. hij luistert naar een lied van laten hangen liefst en herinnert zich de dag van gisteren zoals men benevelde dagen oprakelen kan. verloren in zand van straatstenen. “ sprak me een oude vrouw en veegde de stoep een kind zo klein liep in de straten los de ochtends los al schreeuwend in een taal van hier nog jong. terwijl we in de schaduw van onze klanken klinken op de afgrond van ons gelaatloze gaan op wegen vol bebloemde doornen ledig brult hij hoera met de bevalligheid van slechte ogen dragend in de kasten van zijn verdoofd verlangen. splitsen of niet, het gaat em in werkelijkheid over het kader, transparant verteerbaar als stokkend taalgebruik. hoe dan ook ligt in zijn gemoedsrust de val verstopt van gemoedsrust. hij betreedt de brug waarvan sprake was. “ hoe dan ook kwaakt de pen zoals het de vijver betaamt. de daken hielden woord en vloeren verzamelden de kruimels als beaamt hem de volgende straat dan gaat hij fluiten met de tred van een beschimmeld vooruitgangsdenker. we paren als de waren en we zingen overal, in elke holte van de nacht laten we een glimlach na van vooraf afgesproken dingetjes. benoemen, ook daar draait het om. een avond kwijnt weg in het nagalmen van zonnestralen strandend in het gebergte van ver weg verdwenen. een ander figuur, als luchtstrelingen om ons knipsel heen wandelend, vraag zich af of dit alles nog klopt. hij voelt het niet, zich in verre voorouders versvoeten berustend, gelaten in de wind die als een hand door landen legert rond en ruimtelijk de ordening verbetert tot in de puntjes van heur haren, dit is: zijn geliefde, toe. steeds door straten zwevend gaat onze figuur naar de eerste de beste religieuze plaats en steekt er een kaars aan onder de voeten van een net niet naakte man aan een kruis. hij verbloemt zijn bidden met de doornen van een schuldgevoel, niets te kunnen veranderen. dan, in overal oorzakend zonder ook maar een gevolg of klein gespuis op de hielen van het voornoemde, geeft de andere hem een blik, bevestigen zelkaars bestaan als zomaar een bevestiging. goed zo meisje wordt gezongen. de avond draagt jan, hij die wij met scharen lezen, te wandelen en bergt hem streken straten stranden handen overal. “ is dit het het is niet de vraag of we deze wereld redden kunnen. het is niet de vraag of een selectie, duidelijk als sterren schurend de onderbuik van tijdelijkheid, het halen kan. het gaat over een antwoord, over een leegte, over een staren. het is een spreken, dit schrijven. “ het zijn wij niet die de kaars smelten zien kunnen. hopelijk verbrandt het kruis onder het zuchten van de vlam, nabij genoeg te vernielen. het zijn niet wij die de continuďteit bewaren, zij bewaart ons, als wat dan ook. wij, kinderen van de eeuwigheid, zijn vergankelijk als het stromen van woorden in beddingen geschiedenis. het is het resultaat van taalloze scharen verbeeldend de tijdelijkheid. straks koop ik een brood met het geld van geen koning, drink ik melk met het brood van geen bakker en beluister ik de muren om me heen. en naakt is de nacht onder de zachte huid van mist afstand lust en verlangen. het weet in hem, ergens, dat zij en hij, en verder vloert de zon hem straks seconden later met stralen blauw als ook een klein klein beetje bewolkte burgerwensen. ondanks alles gaat het goed met verwerkwoorden en belichamen. er na is de nacht onder de zachte huid van verlangzaam gesprokkeld de warmte een deken dat de dingen houdt, zoals ze zijn, verworden zullen. om tweeëntwintig uur tweeëntwintig schildert hij met zwarte inkt op muurrode papiertjes ten grootte van luciferdoosjes: “ in dit tijdsgewricht van steeds maar door en door gedreven koophandelsvloten verorberen in de havens waar de dozen worden uitgepakt en ingepakt in kleinere, in het strelen van het struikelen lach na lach de ongecompliceerde gemeenzaamheid, daar vertoeven we met het gelaat van hij zeilt de stranden af van haar belichamen, gaat de waaiziek ochtend weer trotseren. het is als het dragen van oventjes in de handen van een hoopvol staren. het is als het dragen van stemmen in de geluidskast van zijn denken. nog hoort hij de vrouw, nog koopt hij het brood, nog ziet hij het verweesde kind een brug bewandelen. “ hold on magnolia i think it’s almost time” het vergaat ons immers als boven de hoofden gefluister van een stem die niet de onrust bedrukken kan met verwante betekenissen. het bestaat in ons de onmogelijkheid uit te drukken in mogelijkheden en te glimlachen naar het stramme en latere gelaat van de dood. we bestaan erin nacht na nacht een dageraad te wezen. “ er is altijd meer dan wanhoop. vernieling. er is altijd meer dan wat niet gezegd mag worden wegens de broosheid van maskers bedrukt met oeverloze wegen. ” een stad wandelt in mij, zegt hij, een welomlijnde sfeer inkleurend met de zachtheid van strelingen, van hier tot aan de horizon. de dag gaat onder in zijn spreken terwijl ik vooral de stiltes beluister die het land, de aarde dan, vertolken. in de kamer waar ik hem observeer overheerst slechts het sprokkelen van de brokken die de duiven voor me brengen van verbeelding voortgebrachte vuilnisbelten. zit ik er ook maar voor iets tussen? “ bloemkolen & de eenzaamheid. hij zegt: dood aan alle gelovigen maar huilt niet langer, liet geen traan in dit verhaal. er is hoop, goed en wel verscholen in de klederen van genotsmiddelen en liefdes voortdurend en liefdes later. geen kind van deze tijd is hij, slechts een oeverloos verstillen verhandelend tot een zee in waar ook hij niet kin geloven kan. goed zo, denkt hij en nog voor hij werkelijk slapen gaat, stapt hij de straat opnieuw door. de straat van ach na ach de straatstenen bekladdend met de sporen van zo’n beetje overal. in hem borrelt dan de droom op te ontwaken en zingt hij haar het lied van blijf bij jou en overal rondom verstenen huizen tot het punt waarop zij wandelen gaan. het kleine figuurtje, terwijl jan slaapt in een zoet verzingeven, gaat nog steeds de straatlantaarnenstraten af op zoek naar moederlijke vormen, verborgen in voortdurendheid. van deze orde geen kwaad woord. op de lippen die nog de lichamen verstrengeld de stromingen vertalen de sterren verlucht met handschrift nagebootst in apparatuur. is dit dan de wereld waar zij voor vechten verlaten verdrinken wederom vechten. “of meer nog. Wouter Claeys Trackbacks
Trackback-URI voor dit artikel
Geen Trackbacks
Reacties
Geeft reacties weer als
(Lineair | Samengevoegd)
waar is jan?
waar is el caballero? in deze tekst zit ie wel verstopt maar in de bewerkelijkheid zie ik hem niet meer. zag ik hem nooit. vreemd. doch... driewerf hoera! |