Monday, March 1. 2010

Overdenkingen bij de canon

Is het je wel eens opgevallen dat literatuur hoofdzakelijk door mannen lijkt te worden geschreven? Het was onlangs voor Margriet van der Linden, hoofdredactrice van Opzij, reden om op de vooravond van de boekenweek een Vrouwenboekenbal te organiseren. Niet alleen valt het mij op dat literatuur klaarblijkelijk hoofdzakelijk door mannen geschreven wordt, maar ook dat in andere genres – die vaak aangeduid worden met triviaalliteratuur, lowbrow of damesroman (denk bijvoorbeeld aan Bouquet-romans of literaire thrillers) – vrouwen juist oververtegenwoordigd lijken. Nu zou je natuurlijk kunnen antwoorden dat vrouwen kennelijk eenmaal niet kunnen schrijven. Dit antwoord lijkt mij echter flauw en kortzichtig. Het lijkt mij aannemelijker dat wij hier te maken hebben met een (aloude) ideologie ten aanzien van sekse.
Een korte blik op de canon van de Nederlandse letterkunde – een lijst bestaande uit 108 auteurs, samengesteld door de leden van de Maatschappij van Nederlandse letterkunde in 2002 – lijkt dit beeld te bevestigen. De top tien van deze canon bestaat uit: Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker), Joost van de Vondel, Willem Frederik Hermans, de auteur van Van den vos Reynaerde (“Willem die Madocke maecte”), Louis Couperus, Gerard Reve, Pieter Corneliszoon Hooft, Willem Elsschot, Gerbrand Adriaenszoon Bredero en Martinus Nijhoff. De hoogst genoteerde schrijfster – in dit geval schrijfsters – staat op plaats negentien: Betje Wolff & Aagje Deken. In totaal komen zestien vrouwelijke auteurs voor in de canon van de Nederlandse letterkunde (waarvan het merendeel zich in de lagere regionen van de ranglijst bevindt). De overige tweeënnegentig plaatsen worden door mannelijke auteurs ingenomen.
Op zichzelf zijn zulke overdenkingen bij de canon niet nieuw. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is hier veelvuldig op gewezen (o.a. door feministen, maar ook door de literatuurwetenschap) en zijn er alternatieve canons voorgesteld: de canon van vrouwelijke schrijvers, de canon van zwarte schrijvers, de canon van niet-westerse schrijvers – want als men kijkt naar de canonieke werken uit de wereldliteratuur, dan blijken die opmerkelijk genoeg hoofdzakelijk door westerse blanke mannen geschreven te zijn – de canon van niet-westerse zwarte vrouwelijke schrijvers, enzovoorts. Wat mij verbaasd aan de canon van de Nederlandse letterkunde is het geringe aantal vrouwelijk auteurs in combinatie met de betrekkelijk recente samenstelling ervan door “een grote en representatieve groep literatuurwetenschappers, historici, schrijvers, uitgevers en publicisten vormen, van wie verwacht mag worden dat zij in staat zijn het gehele terrein van de Nederlandse literatuur te overzien” (De Nederlandse klassieken anno 2002: woord vooraf). Je zou denken dat de bovengenoemde feministische discoursen uit de literatuurwetenschap intussen ingang zouden hebben gevonden in de canon van de Nederlandse letterkunde.
Het gaat mij niet om het bekritiseren van de leden van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde – ik neem aan dat het geringe aantal vrouwelijke auteurs hun ook opgevallen is – en het gaat mij ook niet om het achteraf ‘emanciperen’ van de canon, maar zestien vrouwen op een ranglijst van 108 schrijvers is wel heel erg mager. De canon moet mijns inziens toch een enigszins representatieve afspiegeling van ‘het gehele terrein van de Nederlandse literatuur’ zijn. Er worden bijvoorbeeld nu maar vijf naoorlogse schrijfsters genoemd (met het aantal schrijfsters uit de overige periodes is het helemaal treurig gesteld): Hella S. Haasse, Annie M.G. Schmidt, M. Vasalis (pseudoniem van Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans), Marga Minco en Tessa de Loo. Bovendien maakt een aantal vrouwelijke auteurs, waaronder Anne Frank – begrijpelijk, maar strikt genomen geen letterkunde – Marga Minco en Tessa de Loo, volgens mij alleen deel uit van de canon omdat zij de Tweede Wereldoorlog thematiseren. Schrijfsters die de maatschappelijke positie van de vrouw problematiseren zoals Mina Krüseman en Anja Meulenbelt ontbreken. Ik zou daarnaast graag een lans breken voor bijvoorbeeld een schrijfster als Doeschka Meijsing die nota bene twee keer de Annie Romeinprijs kreeg, een literaire prijs voor auteurs wier werk bijdraagt aan de ontplooiing, bewustwording en emancipatie van vrouwen, maar wier werk ook in literaire kringen hoog aangeslagen wordt (zij won onder meer de AKO Literatuurprijs).
Waarom zou je je druk maken over het beperkte aantal vrouwen in de canon van de Nederlandse letterkunde? De canon is niet enkel een prestigekwestie, maar wordt bijvoorbeeld ook gebruikt in het literatuuronderwijs en draagt dus bij aan de vorming van leerlingen en de beeldvorming van mannen en vrouwen. Daarbij komt dat de canon van de Nederlandse letterkunde opmerkelijk genoeg alleen betrekking op literatuur heeft. Niet alleen zijn vrouwelijke auteurs zoals wij gezien hebben in de canon ondervertegenwoordigd, zij lijken in genres die doorgaans wel tot de letterkunde – fictie dus – maar niet tot literatuur gerekend worden juist oververtegenwoordigd te zijn. Bovendien wordt literatuur, die dus hoofdzakelijk door mannen lijkt te worden geproduceerd, consequent hoger aangeslagen dan bijvoorbeeld Bouquet-romans of literaire thrillers, die voornamelijk door vrouwen lijken te worden geschreven. Ook al zijn deze genres strikt genomen helemaal niet in competitie met elkaar en hebben zij verschillende vorm- en stijlkenmerken en een verschillend lezerspubliek.
Je zou het Vrouwenboekenbal natuurlijk als een ludieke actie kunnen beschouwen, maar mijns inziens gaat er achter deze ‘ludieke actie’ een serieuze boodschap schuil: het laat zien dat mannen en vrouwen lang niet als gelijk voorgesteld worden – we hebben hier dus te maken met een ideologie ten aanzien van sekse – in het literaire veld. Dit roept in een eenentwintigste-eeuwse context een aantal emancipatoire vragen op en zet onder meer aan tot overdenkingen bij canonvorming. Ik hoop dan ook dat volgend jaar op het Vrouwenboekenbal een canon van vrouwelijke auteurs gepresenteerd wordt.

Petra Boudewijn

Verder lezen en luisteren? René van Stipriaan (red.), De Nederlandse klassieken anno 2002. Een enquête naar de canon onder de leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde; De leden van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde, De canon van de Nederlandse letterkunde; Margriet van der Linden over het Vrouwenboekenbal op Radio1 (15 februari 2010).

Trackbacks

Geen Trackbacks

Reacties
Geeft reacties weer als (Lineair | Samengevoegd)

Geen reacties

Reactie toevoegen

Enclosing asterisks marks text as bold (*word*), underscore are made via _word_.
Standard emoticons like :-) and ;-) are converted to images.

Om het posten door robots tegen te gaan, gelieve de letters die je in het plaatje ziet over te typen. Je commentaar wordt enkel gepost wanneer de letters overeen komen. Je browser dient cookies te ondersteunen (standaard staat dit aan), of je commentaar kan niet geverifieerd worden.
CAPTCHA