II
Elke avond ging mijn broer in een enkele pyjamabroek op zijn bed liggen en tekende met pen op een velletje tissuepapier. Precies om twaalf uur streek hij een lucifer af en zei tegen het flakkerende vlammetje: ‘Zo, er is nog voldoende zuurstof in de kamer.’ Als de paarse kop dan zwart weg gesmeuld was, stak hij zijn tekening in brand. Hij was altijd net op tijd met het in de vuilnisbak gooien van geblakerde restjes papier. Anders zou hij zijn vingertoppen verschroeien. Ach ja, die vingertoppen. We hadden in het gezin alledrie dezelfde nagelvorming. Moeder, Daniël en ik. Zelfs de rimpeltjes in de huid liepen dezelfde grillige weggetjes. Toen ik nog klein was pakte ik altijd mijn moeder’s hand en hield haar vingers tegen die van mij. ‘Opa’s vingers,’ zei ik. Ze glimlachte dan. Een splijting van lippen waarbij veel tandvlees zichtbaar was. Tandvlees dat zij later zo hard nodig bleek te hebben. Door Daniël hartvlees genoemd.
III
Mijn broer Daniël had veel weg van een hond. Ten eerste omdat hij overmatig gestoffeerd was met een dikke bos lichaamshaar (die uit ieder lichaamsdeel leek te ontspruiten). Daarnaast kon hij altijd de weg naar huis vinden. En als ik zeg altijd, dan bedoel ik dat ook. Ooit kwam hij helemaal vanuit Den Helder naar Amsterdam gelopen, omdat hij bang werd van de mensen in de trein. Grote ogen die hem aanstaarden, zoals ze dat doen in hun verveeldheid. Angst voor stemmen, voor de simpelste handelingen die zij konden uitvoeren. Naar voren bukken om een plastic bekertje waar de bocht van de stationscafetaria in had gezeten weg te gooien kon hem in paniek brengen.
Toen hij thuiskwam van zijn ‘wandeling’ sprak hij niet. Hij trapte zijn versleten gympen onder de tafel en streek een lucifer af.
‘Zo, er is nog voldoende zuurstof in de kamer.’
IV
Toen moeder al een paar weken weg was en ik de kamer van mijn broer voorzag van een nieuw laagje allesreiniger, las ik de volgende woorden, neergekrabbeld op een tissue:
Moeder der liefde van de malende maag
Die ook de mijne is als lopen over hartvlees
’s Avonds vroeg ik Daniël naar de betekenis van dat wat op het eerste gezicht een gedicht veinsde te zijn. Hij was net thuis van de wasserette, waar hij het linnen van Hotel Schmuck nooit schoon kon krijgen. Een sigaret lichtte op tussen zijn lippen. Zijn hoofd werd rood, met een kloppende ader tussen zijn hangende blauwe ogen. Hij antwoordde niet, maar grabbelde vlug en met de onhandigheid van een kind in zijn zakken naar het doosje lucifers.
IV
Ik bestelde nog een cappuccino. Ze nam trillend een kopje van de stapel en plaatste deze onder de hijgende machine. Koekje erbij, suikerklontje op het schoteltje.
De eerste slok smaakte bitter. Ik plopte de suiker in het kopje, roerde en proefde nog een keer. Nee, nog steeds niet goed.
‘Mag ik nog wat suiker?’ vroeg ik zacht.
‘Tuurlijk.’
Ze draaide zich weer om en nam twee suikerklontjes uit een kartonnen doos. Twee suikerklontjes. Twee. Identiek. De brand in mijn ogen probeerde ik voorzichtig weg te slikken.
V
‘Gezwollen voeten! Smeulende koppen! Gezwollen voeten! Smeulende koppen!’
Gevolgd door:
‘Moeder van God. Ik doe alleen verzoeken aan u.’
Bij het instoppen vond ik een foto van mijn moeder onder zijn hoofdkussen.
VII
Iedereen was er nu.
Ik dronk mijn cappuccino op en gleed van de barkruk. Er zaten wat spettertjes van de koffie op de revers van mijn zwarte colbert. Ik nam uit mijn borstzak een zakdoek en veegde de vlekken weg. Daarna propte ik de zakdoek weer achter de rode roos.
Mijn moeder zat aan een tafeltje bij het raam naar buiten te turen. Met haar handen, gelijk aan de mijne, hield ze haar hoofd hoog. In een vleeskom. Voor de plechtigheid had ze haar haren strak naar achteren in een knot getrokken. Haar mantel leunde over de stoel naast haar. Naast haar zat die polymongool met een kokertje van vingers borrelnootjes zijn kinnebak in te kieperen. Het scheen hem allemaal niet zo veel te deren. En waarom zou het ook. Volgens mij was het Dickens die eens zei: onder familie verstaan we niet bloedverwanten, maar ook de personen voor wie we ons bloed zouden geven. Of misschien was het Dickens niet.
Op weg naar het toilet botste ik bijna tegen dokter Schuimbok op, die mij een gemoedwillige, bijna vaderlijke klop op mijn schouder gaf. Hij glimlachte zijn kleine droptandjes bloot en bestelde bij de barvrouw nog een biertje.
Ook professor doctor Bubbelmoes was er, zag ik. Ze zat aan de toog, vlak naast de ingang van de toiletten aan een sherry te slurpen. Haar nagels had ze zwart gelakt. Het is ook altijd wat met die filosofen. Ze leek alleen te zijn gekomen. Haar benen in een fantasiepanty had ze over elkaar geslagen.
‘Ben jij toevalligggg het brrrroertje van Daniëlll?’ vroeg ze met dubbele tong. Liet de faculteit haar voor zo weinig geld onderzoeken doen waar niemand het nut van inziet en taalfilosofie doceren, dat ze bij een gelegenheid als dit, waar men een gratis mag drinken, gebruik moet maken van de ‘roes’? Wellicht was ze een alcoholist. Ik sta nergens meer van te kijken. Helemaal niet als het de academische wereld betreft. Neem mijn broer, bijvoorbeeld. Ik bedoel maar.
‘Ja,’ antwoordde ik.
‘Joost?’
‘Ja.’
‘Ik kkkende jjjje broer erg goed,’ lalde ze.
‘Oké.’ Wat zeg je anders tegen zo iemand?
‘Wassss in het begin wat afssstandelijk. Mmmaar niet gettttreurd, dddacht ik. Die kommmt wel llllosss.’ Ze ging verder op fluistertoon: ‘Lllikte iederrre woenssdaggg mijn poesss. Wasss denk ik in de warrr.’ Ze giechelde.
Het werd zwart voor mijn ogen.
‘Bennn jij ook zooo goed? Bij mij haallll je all je tentamenssss.’
Ik gaf haar met al mijn kracht een gigantische klap in het gezicht. Ze greep naar haar neus en klapte achterover van de barkruk tegen te muur. Op de grond bleef ze bewusteloos liggen. Ach ja, de drank. Gelukkig hadden we een dokter in de zaal. Soort zoekt soort.
Ik lette niet op de mensen en rende het café uit. Terwijl ik op het station wachtte op de trein naar Amsterdam, kocht ik bij de kiosk een Volkskrant met daarin het overlijdensbericht van mijn broer.